terugkeren>>

 
  Frans Alting von Geusau

Tien december is de dag van de mensenrechten. Deze dag werd in de jaren tachtig ingesteld ter herinnering aan de afkondiging van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens door de Verenigde Naties op 10 december 1948. Belangrijkst initiatiefneemster was Eleanor Roosevelt, weduwe van de in 1946 overleden Amerikaanse president Franklin Roosevelt. Het was een politieke, juridisch niet-bindende verklaring, die niettemin leidraad geworden is voor de latere mensenrechtenverdragen en voor vele nationale grondwetten in de wereld. De Franse katholieke filosoof Jacques Maritain noemde het een paradox dat men het ondanks zeer uiteenlopende overtuigingen toch eens was geworden over praktische voorschriften (overigens onthielden negen landen zich van stemming, waaronder landen uit het Oostblok, Zuid-Afrika en Saoedi-Arabië).

Daarvoor zijn ten minste twee mogelijke verklaringen. De eerste is de toen nog levende herinnering aan de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog. Uitgangspunt van de Universele Verklaring is “de erkenning van de inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap” als reactie op de minachting daarvoor in de oorlog. De tweede is, dat de Verklaring opsomde wat nog bereikt zou moeten worden. Overeenstemming over juridisch bindende regels was veel moeilijker en kwam pas decennia later.


Ironie
Over een deugdelijk mechanisme voor toezicht op de naleving van die rechten is men het buiten Europa nooit eens geworden. Tot het einde van de zogenaamde Koude Oorlog in 1990 stond tegenover het westelijk pleidooi voor politieke rechten, de communistische voorkeur voor sociale en economische rechten. Anders gezegd, het Westen legde de nadruk op vrijheidsrechten die de staat moest eerbiedigen, het Oosten op sociale en economische voorzieningen die de staat moest verzorgen. Na 1990 verschoof de aandacht naar de individuele rechten. Het is niet zonder ironie dat voormalige marxisten en westerse democraten het sindsdien eens zijn over een louter positivistische benadering van de individuele rechten: wat het individu wil en de meerderheid goed vindt, is het hoogste recht.

In die benadering lijkt Nederland voorop te lopen, zoals opnieuw blijkt uit de recente nota van minister van Buitenlandse Zaken, Maxime Verhagen, Naar een menswaardig bestaan. Mensenrechtenstrategie. Ook al schrijft onze katholieke minister in zijn voorwoord dat hij een “proactieve bevordering van mensenrechten, gebaseerd op morele gronden en overtuiging” voorstaat, mensenrechten blijken in de nota louter individuele rechten te zijn: “spelregels voor een samenleving waarin mensen in vrijheid van elkaar kunnen verschillen en tegelijkertijd rekenen op gelijkheid van behandeling”. De verwarring over wat mensenrechten zijn, begint dus al op pagina 1 van de nota. Bij mensenrechten moet het immers niet gaan over individuele opvattingen of gedragingen maar over objectief vast te stellen rechten, die iedere mens toekomen op grond van zijn inherente waardigheid.


Accenten
Opsomming van menselijke grondrechten in een rechtsdocument van hogere orde gaat terug tot de Amerikaanse en de Franse Revoluties aan het einde van de achttiende eeuw. Gezien deze oorsprong in de Verlichting had de katholieke Kerk er nogal wat moeite mee. Het keerpunt kwam tijdens het Tweede Vaticaanse Concilie met de Verklaring over de Vrijheid van Godsdienst (Dignitatis Humanae). Vooral paus Johannes Paulus II is een actieve pleitbezorger van de menselijke grondrechten geworden op basis van een diepgaande uitwerking van de grondslag van die rechten in de inherente waardigheid van de menselijke persoon. Na 1990 staat de leer van de Kerk haaks op een aantal individuele rechten die juist Nederland en ook onze katholieke minister proactief willen bevorderen. We hebben hier dus een flink probleem dat wij niet uit de weg mogen gaan.


De nota staat in de naoorlogse traditie van een Nederlands buitenlands beleid waarin bevordering van de rechten van de mens centraal staat. Het pleidooi voor een nog actievere rol voor Nederland wordt uitgewerkt in het verband van de Verenigde Naties, in het beleid van de Europese Unie en vooral in onze relatie met andere landen. Daar zal Nederland mensenrechten – niet selectief wat landen betreft – bevorderen door concrete actie, zoals financiële steun aan plaatselijke initiatieven of partnerschappen tussen plaatselijke en Nederlandse niet-gouvernementele organisaties. Welke accenten daarbij worden gelegd, behandelt de nota in hoofdstuk 2. Accenten op de afschaffing van de doodstraf, een absoluut verbod op marteling, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, de rechten van de vrouw, het bestrijden van geweld tegen vrouwen en kinderen en de strijd tegen mensenhandel, zal iedereen van harte kunnen ondersteunen. In al deze gevallen gaat het om een noodzakelijke strijd tegen de schending van rechten die iedereen toekomen.


Probleem
Vanuit katholiek gezichtspunt levert de nota echter ten minste drie problemen op, die noch de minister noch wij uit de weg mogen gaan.

Het eerste probleem betreft de stelling op pagina 32 dat uit naam van religie geen beperkingen mogen worden opgelegd aan het realiseren van mensenrechten. De taak van de godsdienst in ons leven is ons geweten te vormen in het onderscheiden tussen goed en kwaad. Wat het individu wil en de meerderheid goed vindt, kan wel degelijk tot gewetensnood leiden.


Het tweede probleem betreft de versluierde weergave op pagina 40 van een heel groot gewetensprobleem. Daar staat dat het EU-mensenrechtenbeleid in het bijzonder ten aanzien van “seksuele en reproductieve gezondheid en rechten” concreter, coherenter en actiever moet worden. Bedoeld wordt dat Nederland meer financiële steun voor gelegaliseerde abortus in ontwikkelingslanden voorstaat. Hier zou richting parlement en Nederlandse bevolking open kaart gespeeld moeten worden.

Het derde probleem betreft het zware accent dat de nota legt op de bevordering van non-discriminatie van homoseksuelen. Volgens de nota gelden de Yogyakarta Principles – een door zelfbenoemde deskundigen opgestelde universele verklaring voor mensenrechten met betrekking tot seksuele oriëntatie en geslachtsidentiteit – als een leidraad voor het beleid. Onder projectmatige ondersteuning van maatschappelijke organisaties op dit gebied valt blijkbaar ook door onze ambassades verstrekte subsidies aan Gayprides in katholieke landen als Polen en Kroatië. Ook hier zou een open discussie, bij voorkeur tussen de minister en de Tweede Kamer, op haar plaats zijn.

Bevordering van mensenrechten is een goede zaak, maar een openbaar debat over wat dit beleid inhoudt, welke Nederlandse voorkeuren aan anderen mogen worden opgelegd en welke steun ervoor in eigen land is, lijkt mij hoogst noodzakelijk.