terugkeren>>

 
 

IN HOEVERRE BEÏNVLOEDT DE GELOOFSOVERTUIGING DE SEKSUELE INDENTITEITSVORMING BIJ MENSEN MET EEN HOMOSEKSUELE GERICHTHEID?
HEEFT DE HOMOSEKSUELE GERICHTHEID EEN INVLOED OP DE GEMOEDSTOESTAND VAN DE PERSOON, MEER BEPAALD OP DE VEELVOORKOMENDE DEPRESSIE?
Opdracht tweede jaar Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen.
Begeleider: Hans van Crombrugge, Doktor in de pedagogische wetenschappen

ONDERZOEKSVERSLAG
1. Probleemstelling

1. We zien in de literatuurstudie dat bij personen met een homoseksuele gerichtheid gekozen wordt voor diverse levensstijlen. Sommigen kiezen voor het biologisch essentialisme als oorsprong van deze gerichtheid en integreren de homoseksualiteit binnen hun identiteit. Anderen kiezen voor de psychosociale theorie als oorsprong van deze gerichtheid, waarbij er zelden sprake is van ‘homoseksuele’ identiteitsvorming.
In de literatuur vinden we het volgende:
De binnenkerkelijke theorie gaat er vanuit dat er een psychologische kant zit aan veel homoseksueel gedrag en dat men een onderscheid moet maken tussen neiging en gedrag. Ze gaat uit van de overtuiging dat de afwijking pas na de geboorte is ontstaan en de normale ontwikkeling van het kind verstoort. Er zijn in de loop van de tijd theorieën ontwikkeld om de ‘scheefgroei’ of ‘ontwikkelingsstoornis’ te verklaren. De gezinssituatie kan een oorzaak zijn. Omdat de omgeving bij deze verklaringen een rol speelt, spreekt men ook wel van psychosociale theorieën. Sommige artsen proberen de scheefgroei weer recht te zetten met een therapie die moet leiden tot een verandering van de seksuele oriëntatie.
De buitenkerkelijke theorie staat voor het essentialisme. Het essentialisme is de benaming van een visie die uitgaat van het feit dat veel mensen met homoseksuele gevoelens hun oriëntatie als een essentieel en permanent element van hun persoonlijkheid ervaren. Omstreeks 1970 ontstond het ‘biologisch essentialisme’. Dat ging ervanuit dat de gevoelens voortkwamen uit het lichaam van de mens en niet uit zijn ziel of geest. De homoseksuele geaardheid is aangeboren, reeds aanwezig voor een kind zich seksueel ontwikkelt. Ze is onveranderlijk en is daarom een levenslange conditie. (Van der Laan 2007:13).
Aangezien er geen sluitende bewijzen waren voor de biologische theorie, gingen psychiaters en psychologen voor het ‘gemengd model’ en zetten hun onderzoek verder.
Een andere stroming, het constructivisme, verzette zich tegen het biologische model en legde de klemtoon op historische en culturele factoren (Van der Laan 2007:16).
1.1. Onze eerste vraag is de volgende:
In hoeverre beïnvloedt de geloofsovertuiging de seksuele identiteitsvorming bij mensen met een homoseksuele gerichtheid?

2. Uit de literatuur blijkt dat het aantal zelfmoordpogingen bij lesbische meisjes 5 maal hoger is dan normaal en bij jongens tweemaal zo hoog. Aan de basis ligt wanhoop, depressie.
Een onderzoek van professor John Vincke van de Universiteit Gent kwam tot de vaststelling dat holebi-jongeren veel vaker zelfmoordpogingen ondernemen dan heterojongeren. Zo heeft 25% van de lesbische meisjes minstens één zelfmoordpoging ondernomen; bij homojongens is dat 12,5% . De vergelijking met heteromeisjes en –jongens alarmeert. Daar liggen de percentages op 5,4 en 5,9%. De risico’s voor zelfdoding zijn het grootst bij kinderen die al op de lagere school beseffen dat ze ‘anders’ zijn en daarvoor worden gepest, en bij jongeren die met enige vertraging ontdekken dat ze homoseksueel zijn en dit angstvallig verborgen willen houden. Een negatief zelfbeeld, wanhoop over de eigen situatie, slechte ervaringen met leeftijdsgenoten die meer uit zijn op seks dan op vriendschap en zelfdodingen in de kennissenkring zijn factoren die zelfdoding bij homoseksuele jongeren nog doen toenemen (Cornu, 2006, p 102).
* We lezen dat depressie verschillenden oorzaken kan hebben.
1° We zien dat depressie kan ontstaan door een innerlijk conflict.
De dag van vandaag is de geesteszieke volgens Desmet een ‘depressieve’ en/of een ‘verslaafde’ persoon. Als gevolg van een innerlijk conflict voelt die persoon zich schuldig en/of beschaamd over zijn falen. Soms is die persoon totaal leeg en fragiel, iemand die de frustraties van het leven niet aankan (2000:17). Twee aspecten vormen hier het ziektebeeld, de leegte die door de depressie gevormd wordt en de invulling van die leegte door een verslaving. Vandaar een veel grotere interesse voor het innerlijk leven sinds de jaren zeventig, aldus Desmet.
1.2.Onze tweede vraag:
Heeft de homoseksuele gerichtheid een invloed op de gemoedstoestand van de persoon, meer bepaald op de veelvoorkomende depressie?


2. Het onderzoeksplan

1. Respondenten
Onze onderzoekseenheid zijn volwassenen tussen 35 en 50 jaar. Wij kiezen bewust voor oudere respondenten, omdat wij ervan uitgaan dat zij een zekere stabiliteit hebben gevonden in die homoseksuele problematiek.
2. Onderzoeksmethodes
We kiezen voor het afnemen van diepte-interviews omdat we de respondent vanuit concrete levensverhalen willen ondervragen over onze twee initiële vragen.
Vooreerst hebben we gezocht naar respondenten uit de drie levensbeschouwingen, de islam, het christendom en de vrijzinnigheid. Verder hebben we respondenten gezocht met diverse visies rond hun eigen homoseksuele gerichtheid. Dit maakt de vergelijkende studie niet makkelijk maar wel leerrijk.
Respondent 1 – 37 jaar - Protestantse overtuiging - Hij had eerst een homorelatie (drie jaar) en leeft nu reeds 14 jaar single.
Respondent 2 – 48 jaar - Overtuiging vrijzinnig – Zij had eerst een heterohuwelijk (20 jaar), zij heeft nu reeds vijf jaar een homohuwelijk.
Respondent 3 – 47 jaar - Liberaal katholiek. – Hij had eerst wisselende relaties, hij heeft nu reeds zes jaar een vaste homorelatie. De jeugdige kinderen van zijn partner zijn geïntegreerd in het familiegebeuren.
Respondent 4 – 38 jaar - Charismatisch christen – Hij had eerst een homorelatie (3 jaar) en leeft nu al 7 jaar single.
Respondent 5 – 49 jaar – Evangelisch – Hij is intussen meer dan 20 jaar hetero gehuwd en heeft vier kinderen.
We konden geen respondent vinden van de moslimgemeenschap. We merken dat er een angst is om dat probleem te bespreken. We hebben beslist in de plaats daarvan een hearing af te nemen van een imam van een moslimgemeenschap.
3. Schriftelijke vragenlijst
We laten een postenquête invullen door de vijf respondenten die we mondeling willen interviewen om aanvullende achtergrondinformatie te verkrijgen.
4. Omdat we te maken hebben met een kwalitatief onderzoek, zowel van de diepte-interviews als van de postenquêtes, kunnen de resultaten niet worden veralgemeend.

3. Eerste initiële vraag: in hoeverre beïnvloedt de geloofsovertuiging de seksuele identiteitsvorming bij mensen met een homoseksuele gerichtheid?

1. Bevindingen.
Als ik de bevindingen weergeef van de verschillende respondenten, zal ik aanduiden over welke respondent ik het heb, van casus 1 tot 5, zodat de lezer de bevindingen in de specifieke context kan plaatsen.
* Het geloof speelt een belangrijke rol in het leven van de vier gelovige respondenten (1,3,4,5). Opvallend is dat deze geloofsovertuigingin meerdere of mindere mate bij allen is gewijzigd rond de adolescentie of tijdens de daaropvolgende tien jaar.
Twee van onze respondenten hebben hun levensstijl veranderd bij het wijzigen van hun geloofsovertuiging. Zij hadden beiden oorspronkelijk een vaste homorelatie en hebben die beëindigd.
De eerste respondent met een protestantse geloofsovertuiging (1) vond in een gespreksgroep met mensen die gelijk gezind waren, steun om verder als single door het leven te gaan (www.refoanders.nl). Vanwege zijn geloofsovertuiging praktiseert hij niet. Wel out hij zich als holebi.
Een andere respondent met een charismatische geloofsovertuiging (4) zocht hulp bij deskundigen voor herstel van relaties, toen hij hoorde dat relationele problemen de oorzaak kunnen zijn van homoseksualiteit. Hij herkende die problematiek bij zichzelf. Tijdens de begeleiding heeft hij zijn homorelatie afgebroken. Hij gaat als single door het leven en staat open voor een heterorelatie.
Respondent twee, katholiek opgevoed, ging vanaf de volwassen leeftijd vrijzinnig door het leven. Zij koos bewust voor het tegemoetkomen aan het ontluiken van haar homoseksuele gevoelens op haar veertigste levensjaar. Zij leefde niet vanuit principes maar liet zich leiden door de liefde. Daar ze van haar partner en haar dochter toestemming kreeg haar eigen weg te gaan, stapte ze het huwelijksbootje in. Dit ging echter gepaard met schuldgevoelens tegenover haar ex-partner en de jeugdige dochter die ze verliet. Nadien koos haar dochter om bij haar vader in te wonen, wat niet makkelijk was voor de respondent.
Respondent drie met Rooms Katholieke overtuiging (3) kon zijn homoseksuele gevoelens niet rijmen met zijn geloof en kwam daardoor in conflict. Daarom liet hij het roomse karakter van zijn katholiek geloof achterwege zodat hij zijn homoseksuele levensstijl kon outen.
Respondent (3) is gegroeid van een sterke conservatieve overtuiging dat homoseksualiteit niet past binnen het christelijk geloof, naar een weg van aanvaarding door God binnen de meer liberale geloofskringen. Deze respondent citeert. “In het begin drong het tot mij door dat ik normaal moet zijn, omdat God niet achter homoseksualiteit staat en hetero’s wil. Na een aantal jaren vond ik mijn weg naar aanvaarding via God”. Later heeft deze respondent de groep Effeta opgericht ‘Holebi’s en Zingeving’ (http://users.skynet.be/effetabrugge/), dit met de aanmoediging van een priester. Zo kon hij zijn geloof en dat van andere lotgenoten terug een plaats geven.
De vijfde respondent met een orthodoxe gereformeerde opvoeding kon zijn homoseksuele gerichtheid niet plaatsen binnen zijn geloofscontext. Er was schaamte en angst over zijn homoseksuele gerichtheid. Later kwam hij in een minder strenge evangelische kring terecht. Hij werd daar tijdens zijn theologische opleiding verliefd op een meisje. Hij huwde met haar, ook al was er twijfel op de achtergrond of hij voldoende man was om dit huwelijk te doen slagen. Een tiental jaren later kwam hij in een crisis terecht en had hij tijd nodig om de vele weggedrukte emoties te ontmijnen.
Biologische of psychologische theorie?
We hebben twee respondenten, de vrijzinnige respondent (2) en de liberaal gelovige (3), die het standpunt van het biologisch essentialisme innemen. Deze respondenten kiezen ook voor de homoseksuele identiteit en praktiseren dus. Naast de biologische theorie heeft, volgens onze derde respondent, het constructivisme ook zijn invloed. Ook culturele en historische factoren zorgen er voor dat men kiest voor de homoseksuele identiteit.
Onze traditioneel gelovige respondenten vier en vijf, gaan uit van de overtuiging dat de homoseksuele gerichtheid voornamelijk een psychosociale oorzaak heeft, dus dat die neiging tijdens de opvoeding is ontstaan. Deze respondenten zoeken herstel van hun ‘gebroken’ identiteit. Zij kiezen er niet voor om zich te identificeren met de homoseksuele identiteit. Respondent vier sluit een heteroseksuele relatie niet uit.
Onze eerste respondent (1) kiest voor het gemengd model; hij gaat er dus van uit dat biologische en psychosociale factoren een rol hebben gespeeld bij het vormen van zijn homoseksuele identiteit. Hij zoekt weinig naar herstel of verandering, wat niet strookt met het psychosociale model. Hij kiest ervoor om niet te praktiseren, wat niet strookt met het biologisch essentialisme maar wel met zijn geloofsovertuiging.
De islam heeft de overtuiging dat homoseksualiteit een cultureel gegeven is en stemt dus in met het constructivisme. Het is de westerse cultuur die de gedachten van de mensen beïnvloedt en hen verleidt tegen de wet van de Koran in te gaan. Hun gelovigen die een homoseksuele gerichtheid hebben, kiezen niet voor de homoseksuele identiteit.

2. Antwoorden.
Deze casussen komen overeen met de lectuur van de binnen en buitenkerkelijke theorieën.
*Respondent vier en vijf staan voor de psychosociale theorie (binnenkerkelijke theorie) en maken een onderscheid tussen neiging en gedrag. Niet elke neiging moet automatisch ingewilligd worden.
Zij erkennen dat een verstoring van de normale ontwikkeling de oorzaak is van hun homoseksuele gerichtheid en kiezen daarom voor een weg van herstel. Zij aanvaarden de homoseksuele gerichtheid niet als een onderdeel van hun identiteit. Dit sluit aan bij hun geloofsovertuiging, die erop wijst dat homoseksualiteit niet compatibel is met christen zijn.
De binnenkerkelijke theorie gaat er van uit dat er een psychologische kant zit aan veel homoseksueel gedrag en dat men een onderscheid moet maken tussen neiging en gedrag. Ze gaan uit van de overtuiging dat de afwijking pas na de geboorte is ontstaan en de normale ontwikkeling van het kind verstoord is. Er zijn in de loop van de tijd theorieën ontwikkeld om de ‘scheefgroei’ of ‘ontwikkelingsstoornis’ te verklaren (Van der Laan 2007:13).
Andersom geloven respondent twee en drie dat de homoseksuele gerichtheid een biologisch gegeven is (buitenkerkelijke theorie); zij gaan hun neiging volgen en in gedrag omzetten. Zij vinden dat zij zichzelf geweld aandoen als zij daar niet op ingaan. Dat sluit aan op de liberale geloofsovertuiging van respondent drie en op de vrijzinnige ideologie van respondent twee, dat men zich namelijk niet moet laten binden door theologische wetten, maar dat de persoon met zijn impulsen centraal staan.
Het essentialisme is de benaming van een visie die uitgaat van het feit dat veel mensen met homoseksuele gevoelens hun oriëntatie als een essentieel en permanent element van hun persoonlijkheid ervaren. Omstreeks 1970 ontstond het ‘biologisch essentialisme’. Dat ging ervan uit dat de gevoelens voortkwamen uit het lichaam van de mens en niet uit zijn ziel of geest. De homoseksuele geaardheid is aangeboren, reeds aanwezig vooraleer een kind zich seksueel ontwikkelt. Ze is onveranderlijk en is daarom een levenslange conditie. (Van der Laan 2007:13).
Onze respondent één met de protestantse overtuiging volgt zijn geloof en praktiseert daarom niet, hoewel hij voor het gemengd model staat en dus ook voor het biologisch essentialisme. Hij erkent ook dat psychosociale factoren een invloed hebben bij het ontstaan van zijn homoseksuele gerichtheid maar strekt zich weinig uit naar herstel van deze ontwikkelingsstoornis. Bij deze respondent geeft de geloofsovertuiging dus de doorslag voor zijn gedrag en niet het model waarvoor hij staat. Bij de andere respondenten correleert het gedrag met het model en de geloofsovertuiging.
Het is opmerkelijk dat deze respondent toch de homoseksuele identiteit aanneemt. Hij komt uit protestantse kring. We weten dat men binnen de protestantse overtuiging onlangs een nieuwe koers is gaan varen en dat zowel het biologisch essentialisme als het psychosociale denkkader getolereerd wordt. De leden van de kerk kunnen persoonlijk beslissen in overeenstemming met hun overtuiging en daarnaar handelen. Er zijn zowel leden die kiezen de homoseksuele identiteit ‘aan te doen’ en te praktiseren, als leden die de homoseksuele identiteit niet willen ‘aandoen’ en ook niet praktiseren en leden die de homoseksuele identiteit ‘aandoen’ maar niet praktiseren. Wanneer men dat weet, is het aannemen van de homoseksuele identiteit van deze respondent zonder te praktiseren niet zo vreemd en dit ligt in het verlengde van de geloofsovertuiging van de kerkgemeenschap.
Daar er geen sluitende bewijsstukken waren voor de biologische theorie, gingen psychiaters en psychologen voor het ‘gemengd model’ en zetten hun onderzoek verder.
De imam wijst naar het constructivisme als oorzaak van de praktijk van homoseksualiteit. Moslims gaan tegen die seculiere stroming in, volgen de leer van de Koran en praktiseren niet.
Een andere stroming, het constructivisme, verzette zich tegen het biologische model en legde de klemtoon op historische en culturele factoren (Van der Laan 2007:16).

3. Besluit
Het antwoord op onze eerste initiële vraag is de volgende. Alle respondenten volgen één voor één hun levensbeschouwelijke overtuiging bij het bepalen van hun seksuele identiteit. Dit vergde voor drie respondenten een verandering van hun levenswijze.
De vrijzinnige en de liberale gelovige (2, 3) nemen de homoseksuele identiteit aan en praktiseren die identiteit vanuit hun biologische visie op de homoseksuele gerichtheid en praktiseren.
De traditioneel gelovigen (4, 5) wijzen de homoseksuele identiteit af vanuit hun psychosociale uitleg van de homoseksuele gerichtheid en praktiseren niet.
De protestantse respondent (1) kiest vanuit het gemende model voor de homoseksuele identiteit zonder te praktiseren. Dat sluit aan op zijn geloofsovertuiging en op de traditie van zijn kerk, die een eigen invulling door haar leden toestaat.
Moslims met een homoseksuele gerichtheid kiezen niet voor de homoseksuele identiteit en praktiseren niet. Zij gaan in tegen het constructivisme en houden zich aan de leer van de Koran.


4. Tweede vraag: Heeft de homoseksuele gerichtheid invloed op de gemoedstoestand van de betrokkene, meer bepaald op de veelvoorkomend depressie?

4.1. Bevindingen
We zien dat alle respondenten vóór de hulpverlening te maken hebben gehad met depressie, op één uitzondering na (2). Die laatste respondent spreekt van een crisissituatie.
Welke oorzaken liggen aan de basis daarvan?

4.1.1. Het innerlijk conflict.
Beschrijving:
Alle respondenten worstelden met hun homoseksuele gevoelens en wilden eigenlijk ‘normaal’ zijn en voldoen aan de normen van de omgeving. Dat innerlijke conflict speelde zich af binnenin en zette hen onder druk. Vanaf het moment dat ze hier openlijk konden over spreken en niet afgewezen werden, voelden de respondenten een verlichting.
Onze vierde respondent zegt dat een zware depressie en psychosomatische klachten hem dwongen om hulp te zoeken. “Het is een knoop in jezelf die steeds maar vaster wordt”. Onze vijfde respondent citeert “Na 9 jaar huwelijk is de bom gebarsten, dit was te vergelijken met een vulkaanuitbarsting. Boosheid en andere emoties kwamen los. Dit werd in gang gezet door gesprekken met een homo. Toen hij zijn verhaal deed herkende ik mijn eigen kinderjaren.” Beide respondenten hebben tevens geworsteld met zelfmoordgedachten.
Bij respondent vier en vijf ebden die heftige emoties weg na de hulpverlening. Het zich begrepen voelen, maar ook het herkennen van zichzelf in de ander, werd als deugddoend ervaren.
Respondent 1 was blij dat hij er met gelijkgezinden in de groep kon over praten.
Respondent 2 vond raad bij de psycholoog raad en aanvaarding binnen zijn eigen gezin.
Dus na het kunnen verwoorden van de problematiek en het zich aanvaard weten, nam het innerlijk conflict af en daarmee ook het crisismoment of de depressie. Daardoor kwamen de respondenten ook makkelijker tot het aanvaarden van hun eigen homoseksuele ‘gerichtheid’ of ‘gebrokenheid’.
Men spreekt van het aanvaarden van de homoseksuele gebrokenheid, wanneer men deze homoseksuele gevoelens ziet als een symptoom van relationele gebrokenheid. De hulpverlening houdt dan in dat men die gebrokenheid binnen het gezin van herkomst een plaats geeft en dat men werkt aan het herstel van relaties binnen de gezinscontext en ruimer.

4.1.2. De hechtingsproblematiek en relatieproblematiek als oorzaak van depressie.
Bevindingen:
Vier respondenten (1, 3, 4 en 5) spreken van een hechtingsproblematiek in het verleden.
Opvallend is dat in al de gezinnen van de respondenten weinig communicatie was en dus ook weinig intimiteit. Er was gebrek aan openheid bij de ouders en weinig emotioneel contact. Bij twee respondenten (2,5) moesten de ouders hard werken en was er weinig tijd voor de kinderen. Of de ouder sloot zijn emoties af omwille van traumatische gebeurtenissen (4, 5), of er was onkunde of weerstand om emotioneel contact te leggen.
Vandaar dat er bij de respondenten een gebrek ervaren werd aan een intieme band met de ouders voornamelijk met de ouder van hetzelfde geslacht. Twee respondenten (3, 5) spreken over een hechtingsstoornis. Respondent vijf verwoordt het als volgt ‘Mijn ouder heeft mij emotioneel nooit kunnen bereiken. Ik voelde me als een verborgen wees’.
Respondent 4 verwijst naar het niet gewenst zijn vanaf de geboorte omwille van zijn mannelijke sekse en het gemis van een emotionele band met zijn moeder en vader. ‘Ik had geen relatie met mijn vader, ik heb me van mijn vader afgesloten. Dit gebeurde rond mijn zevende levensjaar na enkele traumatische ervaringen.’
Voor respondent drie was de band met de moeder, dus de ouder van het andere geslacht, heel nauw, symbiotisch, en werd als erg beklemmend ervaren. Hierdoor ontstond er een haat-liefderelatie met de moeder. Tot op heden is die relatie ongezond.
Ook respondent één had een moeilijke relatie met de ouders. Daarom was hij reeds op jonge leeftijd alleen gaan wonen; toen ging de relatie met zijn ouders beter. De respondent sprak niet graag over zijn ouders waarmee hij liet uitschijnen dat deze relatie nu nog problematisch is.
De minieme interactie van de ouders had voor gevolg dat de kinderen onderling ook weinig communiceerden en geen nauwe band hadden met elkaar. Eén respondent ging op internaat en ervoer dit als bevrijdend, ook al was de overstap niet eenvoudig.
De meeste respondenten zeggen van zichzelf dat ze gevoelig van aard zijn. Daarom viel het hun zwaar dat ze hun gevoelens niet konden uiten en dat er weinig plaats was voor emotioneel contact.
Respondent drie erkent dat hij daardoor en tot op vandaag nog steeds moeite heeft om intieme relaties aan te gaan. Dit is misschien de oorzaak van zijn terugkerende depressie. Tevens ervaart hij een opgekropte woede die dreigt te exploderen. Dit zou met de vroegere thuissituatie te maken kunnen hebben. Of dit onrechtstreeks ook in verband staat met de homoseksuele gevoelens, kon de respondent niet beamen maar hij sloot dit niet uit.
Hulpverlening:
Onze respondenten 4 en 5 hebben deze hechtingsproblematiek in de familiale situatie ingekaderd en hebben er zo een plaats aan gegeven. Daarnaast hebben ze bewust met mensen van eigen sekse en andere sekse warme en hechte relaties aangegaan.
Onze respondent drie spreekt van een terugkerende depressie omwille van de hechtingsproblematiek, zoals hierboven gezegd, en werkt nu aan het aangaan van warme relaties, waarin plaats is voor het uiten van emoties.
Onze respondent één heeft last van een slepende depressie, maar verbindt dit niet met zijn homoseksuele gerichtheid doch aan de conflictueuze situaties binnen de familie en op het werk, met daarbovenop pesterijen. Relatieproblemen zijn de onderliggende oorzaken. Hij neemt antidepressiva ter behandeling van de depressie.
Conclusie:
We zien dus dat hechtingsproblematiek en relatieproblematiek terugkomen bij alle respondenten.
We zien dat bij de respondenten die sterk gewerkt hebben aan het herstellen van relaties (4, 5) de depressie zo goed als verdwenen is.
De andere twee respondenten blijven kampen met depressie. Bij respondent één is dit te wijten aan een relatieproblematiek in het algemeen. Bij de andere respondent gaat het om een algemene hechtingsproblematiek.

4.2. Antwoord
*De vier respondenten hadden last van depressie vóór de hulpvraag, de éne insterkere mate dan de andere. De vijfde respondent spreekt over een crisis.
Dit komt overeen met het onderzoek onder leiding van professor John Vincke, die tot de vaststelling komt dat holebi jongeren veel vaker zelfmoordpogingen ondernemen en depressief zijn dan heterojongeren. Een negatief zelfbeeld en wanhoop (depressie) over de eigen situatie zijn factoren dit in de hand werken.
* De oorzaken zijn:

4.2.1. Innerlijk conflict
Een oorzaak van depressie bij onze respondenten is het innerlijke conflict tussen de homoseksuele gerichtheid en de wens om bij de heteroseksuele meerderheid te horen. Dit komt overeen met de literatuurstudie die bevestigt dat depressie het gevolg is van een innerlijk conflict.
De dag van vandaag is de geesteszieke volgens Desmet een ‘depressieve’ en/of een ‘verslaafde’ persoon. Als gevolg van een innerlijk conflict voelt die persoon zich schuldig en/of beschaamdover zijn falen. Soms is die persoon totaal leeg en fragiel, iemand die de frustraties van het leven niet aankan (2000:17).
Het innerlijke conflict was bij alle respondenten het opgesloten zijn in hun eigen kleine gevoelswereldje dat afwijkt van het ‘normale’ en het verlangen om uit te breken en te zijn zoals de anderen.
De aanvaarding van de hulpverlener en de omgeving hielp de respondenten om hun eigen homoseksuele ‘gerichtheid’ of ‘gebrokenheid’ te aanvaarden.

4.2.2. Hechtingsprobleem en relatieproblemen als oorzaak van depressie.
De vier respondenten hebben het gemis van een emotionele band tijdens de kinderjaren ervaren. Het weesgevoel is het gevolg van de hechtingsproblematiek. De ouders konden het kind emotioneel niet bereiken. Daardoor kregen de behoeften tijdens de kindertijd een verkeerde invulling. Dat gemis is waarschijnlijk de oorzaak van hun depressie. De literatuurstudie bevestigd dit.
‘Mia Leijsssen geeft aan dat wanneer behoeften van kinderen een verkeerde invulling kregen,wanneer ze bijvoorbeeld zijn opgegroeid in een problematisch milieu, dit in het latere leven kan leiden tot depressiviteit. Volgens Leijssens hebben die kinderen te weinig voeling gehad met hun eigen waarden en behoeften’. Het zoeken naar krachtbronnen is daarom veel moeilijker (project p 25).
Na therapie, het verwerken van de frustraties hier rond, het plaatsen van het gemis in zijn familiale context, het werken aan herstel van relaties en het weer aangaan van intieme relaties, ebt de depressie weg. Respondent vier en vijf hebben heel intensief aan dit herstel gewerkt en bij hen is ook de depressie zo goed als voorbij. Het verminderen van de depressie na therapie wordt in de literatuurstudie bevestigd.
Naast een verschuiving van de seksuele gerichtheid rapporteren mensen veranderingen in hun algemeen welzijn zoals minder depressieve gevoelens of zelfmoordgedachten, minder schuldgevoelens, meer zelfinzicht en emotioneel evenwicht en een grotere mate van zelfacceptatie na therapie. (Onderzoek Spitzer, Mazzolari 2003- Wagenaar 2002).
Na de hulpverlening:
De blijvende relatiestoornissen bij respondent één zorgen voor een blijvend innerlijk conflict bij de respondent en resulteren in een chronische depressie.
Bij respondent drie blijft de verkeerde invulling van de behoeften op jonge leeftijd sporen nalaten. Tot op heden heeft de respondent weinig contacten waar gevoelens aan bod kunnen komen. Ook bij hem is een steeds terugkerende depressie een feit.


4.3.Besluit
Voor depressie worden volgende oorzaken vermeld:

4.3.1. Het innerlijk conflict tussen de homoseksuele gerichtheid en de wens om bij de heteroseksuele meerderheid te horen.
2° Een hechtingsstoornis met de ouders met als gevolg het gemis van een emotionele band met de ouders en relatiestoornissen binnen het sociale netwerk. Deze hechtingsstoornis, voornamelijk met de ouder van hetzelfde geslacht, is volgens de psychosociale theorie één van de voornaamste oorzaken van een homoseksuele gerichtheid.
We zien dus dat deze oorzaken een verband hebben, rechtstreeks of onrechtstreeks, met de homoseksuele gerichtheid. We besluiten dat er een duidelijk verband is tussen de veel voorkomende depressie en een homoseksuele gerichtheid.
Bijkomende opmerking:
In de literatuur wijst men dikwijls op het innerlijk conflict bij de persoon met een homoseksuele gerichtheid, vanuit de discrepantie tussen de normen van de omgeving en het eigen ervaren. Dit wordt veelal als oorzaak vernoemd van het grote aantal depressies bij de homoseksuele personen. De maatschappij wordt opgeroepen de homoseksuele gerichtheid te aanvaarden als een biologisch gegeven, zodat het innerlijk conflict tussen de wensen van de omgeving en het innerlijk ervaren opgeheven wordt. Men stelt voor om meer inclusief te denken en te spreken over homoseksualiteit. Dit, bijvoorbeeld, door kinderen op school vertrouwd te maken met het woord homokoppel en holebigezin en door geen aparte wetten te maken voor homoseksuelen.
De tweede reden van depressie, een verkeerde invulling van de emotionele behoeften in de kindertijd door een hechtingsproblematiek en de daaruit volgende relatiestoornissen, wordt zelden opgegeven als oorzaak. Waarschijnlijk is dit omdat de biologische theorie heden te dage de meest aanvaardbare theorie is in verband met het ontstaan van de homoseksuele gerichtheid en menlaatstgenoemd punt liever niet wil aanhalen. Dat zou de respondent weer bepalen bij de psychosociale uitleg van de homoseksuele gerichtheid en het zou bij hem een nieuw innerlijk conflict kunnen veroorzaken. Die houding verhindert de persoon om de eventuele psychosociale kant van de homoseksuele gerichtheid onder ogen te zien en te werken aan zijn eigen psychosociaal herstel, namelijk het plaatsen van dit probleem in de familiale en relationele context. Dat zou aanslepende psychische klachten bij deze mensen kunnen voorkomen.
Het aanwezig zijn van meerdere psychische klachten bij de respondenten, duidt eens te meer op een mogelijke psychosociale oorzaak van de homoseksuele gerichtheid.
Voor de hogere prevalentie van psychische stoornissen bij mensen met homoseksuele gevoelens zijn verschillende verklaringen mogelijk volgens Bailey (1999). Hij sluit niet uit dat homoseksualiteit te maken kan hebben met een stoornis in de ontwikkeling, waardoor mensen kwetsbaarder kunnen zijn voor psychische klachten en problemen. Volgens hem verdient dit gebied veel meer onderzoek met het oog op het welbevinden van mannen en vrouwen met homoseksuele gevoelens (Mozzolari 2003: p 42).


5. Beschrijving van de resultaten
Het onderzoek heeft volgende zaken bevestigd.

5.1. Geloof en seksuele identiteit.
We zien dat het geloof dat men aanhangt, bepalend is voor de keuze van de seksuele identiteit bij mensen met een homoseksuele gerichtheid.
Meestal werd de levensstijl aangepast aan de geloofsovertuiging, éénmaal werd de geloofsovertuiging aangepast aan de levensstijl. Dus bij de vijf respondenten is er een positieve correlatie tussen geloofsovertuiging en de bepaling van de seksuele identiteit.
Ook bij de moslims is hun geloofsovertuiging sturend bij het kiezen van hun seksuele identiteit.

5.2. Depressie
De oorzaken van depressie zijn vooreerst het innerlijk conflict tussen de eigen homoseksuele gevoelens en de wens om bij de heteroseksuele meerderheid te horen en te voldoen aan de normen van de omgeving.
Een tweede oorzaak is de verkeerde invulling van de basisbehoeften tijdens de kinderjaren door een hechtingsstoornis, één van de basisoorzaken van de homoseksuele gerichtheid volgens de psychosociale theorie.
De veelvoorkomende depressie heeft, rechtstreeks of onrechtstreeks te maken met deze homoseksuele gerichtheid. We zien dus dat de homoseksuele gerichtheid een invloed heeft op de gemoedstoestand van de persoon.
Tot slot wil ik benadrukken dat het al of niet praktiseren van de homoseksualiteit geen doorslaggevende factor is voor het verdwijnen van de depressie.

6. BIJLAGE

Hulpverlening:
Different
http://www.totheildesvolks.nl/different/home.html
Narth
National Association for Research and Therapy of homosexuality
http://www.narth.com/
Refo Anders
http://www.refoanders.nl/
Sca- zelfhulpgroep
Zelfhulpgroep voor mensen met een seksverslaving
http://www.sca.short.be/