terugkeren>>

 
 

HET PROCES VAN IDENTITEITSONTWIKKELING BINNEN EEN MULTICULTURELE EN MULTIRELIGIEUZE SAMENLEVING BIJ MENSEN MET EEN HOMOSEKSUELE GEAARDHEID.

2008, Agnes Jonckheere

Vooreerst wil ik een kort historisch overzicht geven van de binnenkerkelijke en buitenkerkelijke theorieën over het ontstaan van homoseksualiteit. Aanvullend geef ik de visie terug van de islam. Verder zien we dat de vorming van de identiteit gestuurd wordt door de theorie die men aanhangt. Hoe deze binnenkerkelijke theorie geconcretiseerd wordt in mensenlevens wordt kort geschetst. Als slot doe ik een oproep tot vrijheid van meningsuiting en geloofsbeleving binnen een multiculturele en multireligieuze samenleving.

Van der Laan heeft een historisch overzicht van de buitenkerkelijke en binnenkerkelijke theorieën. Het ethische denkkader is kenmerkend voor de ‘binnenkerkse’ discussie. Hierin speelt de Bijbel een centrale rol. Het analytische denkkader is echter typerend voor de ‘buitenkerkse’ discussie. De denkkaders zijn zeer verschillend van aard. Dit betekent dat de discussie binnen de kerken meestal losstaat van die buiten de kerken. Intussen nemen veel gewone kerkleden wel kennis van de buitenkerkse denkbeelden, vooral via de massamedia, en worden daardoor sterk beïnvloed. Omgekeerd is de binnenkerkse visie weinig bekend bij de buitenkerkelijken (Van der Laan 2007:7). Hopelijk zorgt dit betoog voor wederzijds begrip.

De buitenkerkse discussie

In de buitenkerkse discussie, zoals die in de westerse wereld gevoerd werd, waren er drie theorieën de drijvende kracht. Van 1870 tot 1970 waren de psychologische theorieën dominant. Omstreeks 1970 werden ze grotendeels verdrongen door de biologische theorie. Die bleef dominant tot 1990. Toen werd ze aangevuld en versterkt door de gelijkwaardigheidstheorie (Van der Laan 2007:8). De eerste wetenschappelijke publicaties over het verschijnsel homoseksualiteit kwamen van artsen, met name psychiaters, zoals Krafft-Ebing en Freud, beide werkzaam in Wenen. Op grond van wat zij hoorden van hun patiënten, kwamen zij tot het inzicht dat er een psychologische kant zat aan veel homoseksueel gedrag en dat men een onderscheid moet maken tussen neiging en gedrag. Ze gingen uit van de overtuiging dat de afwijking pas na de geboorte was ontstaan en de normale ontwikkeling van het kind was verstoord. Er zijn in de loop van de tijd theorieën ontwikkeld om de ‘scheefgroei’ of ‘ontwikkelingsstoornis’ te verklaren. De gezinssituatie kon een oorzaak zijn. Omdat de omgeving bij deze verklaringen een rol speelt, sprak men ook wel van psychosociale theorieën. Sommige artsen probeerden de scheefgroei weer recht te zetten met therapie, die moest leiden tot een verandering van de seksuele oriëntatie. De opkomst van de biologische theorie omstreeks 1970 betekende een tegenslag voor de psychologische theorieën. In de eerste plaats verloren zij hun dominantie en werden in de verdediging gedrongen. Zij bleven echter actief in theorievorming en er bleef veel vraag naar psychotherapie bestaan (Van der Laan 2007:10-11).

Het essentialisme is de benaming van een visie die uitgaat van het feit dat veel mensen met homoseksuele gevoelens hun oriëntatie als een essentieel en permanent element van hun persoonlijkheid ervaren. Omstreeks 1970 ontstond het ‘biologisch essentialisme’. Deze ging ervan uit dat de gevoelens voortkwamen uit het lichaam van de mens en niet uit zijn ziel of geest. De homoseksuele geaardheid is aangeboren, reeds aanwezig vòòr een kind zich seksueel ontwikkelt. Ze is onveranderlijk en is daarom een levenslange conditie. Het klimaat van de seksuele revolutie van de jaren zestig verwelkomde deze theorie.
De holebi’s moedigden elkaar aan om ‘uit de kast te komen’. Door deze theorieën raakte het woord ‘homo’ en ‘gay’ algemeen in gebruik. Deze woorden moesten een positieve betekenis uitstralen. Ook het woord ‘homo-identiteit’ kreeg een positieve invulling. Op grond van de nieuwe identiteit kan een homo voor een passende homoseksuele leefwijze kiezen. Veel homo’s zijn nu van mening dat hij zichzelf te kort doet of beschadigt als hij zich onthoudt van elke vorm van homoseks. De nieuwe theorie activeerde de homobewegingen in de westerse landen. Zij traden na 1970 actief in de openbaarheid met demonstraties en begonnen de publieke opinie te beïnvloeden. Er kwam een nieuw elan, gekenmerkt door grote zelfbewustheid en veel activiteiten (Van der Laan 2007:13). In 1981 ontdekten artsen in Europa en Amerika een dodelijke, besmettelijke ziekte, die later bekend kwam te staan als aids. Deze kwam veel voor onder actieve homoseksuelen en heteroseksuelen die frequent wisselden van partner. Dit riep de vraag op of homoseksualiteit wel onproblematisch was. Vanuit deze zorg vermeerdert het biologisch onderzoek, ook naar het ontstaan van homoseksualiteit. Er is daarbij gezocht in de volgende richtingen: (a) de homoseksuele oriëntatie bij tweelingen, (b) genetische verschillen (DNA), (c) fysieke verschillen, bijvoorbeeld in de hersenstructuur, en (d) hormonale invloeden tijdens de zwangerschap. Men vond geen sluitende bewijzen, ook nu niet na 35 jaar onderzoek. Toch was deze theorie zeer geliefd daar men niet zocht naar een oorzaak bij de persoon of zijn omgeving maar een onvoorwaardelijke aanvaarding van holebi’s mogelijk was.
Daar er geen sluitende bewijsstukken waren gingen psychiaters en psychologen voor het ‘gemengd model’. Dit ondermijnde de stelling dat de homoseksuele oriëntatie onveranderlijk is en dit stimuleerde onderzoek naar ‘verandering in geaardheid’. In 2001 presenteerde professor Spitzer een paper op een congres van de ‘American Psychiatric Association’. Daarin kwam hij tot de conclusie dat gedeeltelijke en soms algehele verandering in een aantal gevallen kon worden aangetoond. Dit was een grote schok voor de homobeweging omdat Spitzer hen in 1973 gesteund had bij het schrappen van homoseksualiteit op de lijst van psychiatrische stoornissen. Een andere stroming, het constructivisme, verzette zich tegen het biologische model en legde de klemtoon op historische en culturele factoren (Van der Laan 2007:16).

De gelijkwaardigheidtheorie stelt dat alle mensen gelijkwaardig zijn. De democratische staatsvorm en de brede steun voor de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 ondersteunen dit. Rond 1980 begon men deze theorie te introduceren in de discussie over homoseksualiteit door te stellen dat homo’s gelijkwaardig waren aan hetero’s. Ze moesten dezelfde rechten hebben als hetero’s en waar dat in de praktijk niet zo was, moest de overheid maatregelen nemen om die rechten geldig te maken. De antidiscriminatiewet van 1981 werd gebruikt om de discriminatie op grond van ‘homoseksuele gerichtheid’ strafbaar te maken. Deze wet werd 10 mei 2007 nog aangescherpt. In 2003 is het homohuwelijk goedgekeurd en in 2005 de holebi-adoptie. Deze wetten streven naar gelijkwaardigheid op juridisch en sociaal gebied. Voor 1990 ontstonden de nieuwe inzichten, biologisch essentialisme, na 1990 werd dit geconsolideerd door wetgeving. Dit versterkte het biologisch essentialisme die een theorie maar geen zekerheid is (Van der Laan 2007:17).

De binnenkerkse theorie

De binnenkerkse theorie start vanuit een ethisch denkkader die bepaald wordt door de Bijbel. In het scheppingsverhaal zien we de schepping van man en vrouw die voor elkaar kiezen en elkaar ‘aanhangen’(Berkhof 1990). Het ‘mensbeeld’ waarin de man-vrouw relatie, het gezin, de ouder-kind relatie, afstamming en familiebanden essentiële kenmerken zijn, vormen de leidraad bij de binnenkerkse theorie (van der Laan 2007: p 28). Meerdere teksten, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament houden dit mensbeeld aan (Genesis 1:26-28, Genesis 19:1-11, Leviticus 18:22, Romeinen 1:24-27, 1 Korintiërs 6:10-11,…) (Wikepedia Christendom en homoseksualiteit). De straffen die in het OT beschreven zijn aan diegenen die hiervan afwijken zijn wreed.
Ook andere zaken worden zwaar gesanctioneerd. Dit moeten we ook in deze tijd plaatsen met als principe ‘oog om oog, tand om tand’. In het Nieuwe Testament zien we dat met deze schuldvraag op een andere manier wordt omgegaan. Daar gaat men uit van het principe ‘Wat je zaait zal je oogsten’. De mensen zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hun daden en men zal zelf ervaren of iets opbouwend is of niet. Ook nu benadert de kerk elke persoon als vrije mensen met eigen verantwoordelijkheid voor zijn keuze.
Binnen de liberale christelijke kringen infiltreert de buitenkerkse biologische theorie. Dit zijn de kerken die de Bijbel als minder gezaghebbend beschouwen of een vrijere uitleg geven. Zo is onlangs beslist, eind 2007, binnen de Protestantse Kerk van België dat de lokale kerken zelf bepalen of een praktiserende homoseksueel in het ambt mag stappen, afhankelijk van de meerderheid onder hun leden.

De Islam.

De Islam volgens de Koran ziet de homoseksualiteit als een keuze. Menselijke schepsels zijn niet zoals robots, die alleen kunnen doen waar zij voor geprogrammeerd zijn. Mensen kiezen en zijn verantwoordelijk voor hun keuzes. Als het zou zijn dat homoseksualiteit een voortvloeisel is uit genetisch noodlot, dan zou het oneerlijk zijn van Allah om de praktiseerders ervan te bestraffen (Bilal 2007: 6).

In de Koran lezen we ongeveer gelijkaardige teksten als in het Oude Testament die de tegennatuurlijke omgang veroordelen met verbanning en doodstraf (Soera De Kantelen 80-82, Soera De Mieren 55-58, Soera De Spin 28-29, Soera De Dichters 165-175). De eerste openbaring van de Koran is trouwens grotendeels gebaseerd op het Oude Testament. De Koran kent geen hedendaagse openbaring zoals de Bijbel het Nieuwe Testament kent. Zo blijven de Moslims leven en handelen naar een oud wettisch systeem.
Vervolgens bestaat er in vele landen waar de Islam aan de macht is geen scheiding tussen Kerk en Staat. Van een democratisch rechtstelsel is er geen sprake. Zo wordt het oude strafrecht nog steeds toegepast in sommige streng islamitische landen bij mensen die homoseksualiteit praktiseren. Daaruit volgt dat de keuze die de moslim maakt niet helemaal vrijblijvend is en onder grote druk staat. Er is meer vrijheid tot identiteitsbepaling in andere landen met grote groepen moslims zoals in Turkije en andere westerse landen (Wikipedia, Islam en homoseksualiteit).

Hoe vormen de jongeren hun identiteit binnen een religieus mensbeeld?

Jongeren stellen de vraag, zowel uit christelijke als islamitische achtergrond ‘Waarom is de norm die God oplegt vanuit Zijn Woord zo anders als die in de maatschappij . Vanwaar die discrepantie?’

De maatschappij gaat meestal uit van een biologische benadering. Een religieus mensbeeld verhindert hen niet voor deze optie te kiezen. Rond hun seksuele geaardheid vormen ze hun identiteit. Nu wetten dit geconsolideerd hebben lijkt dit ook de enige ware optie. Gelovigen houden rekening met hun Bijbels mensbeeld en zoeken naar oplossingen die binnen dit mensbeeld passen. De psychosociale benadering past hierbij. We leven in een gebroken wereld, waar gebroken relaties binnen het gezin hun tol vragen. Als christen zien we uit naar herstel van onze relaties en onze identiteit door onze relatie met Christus. Psychologie en pastoraat gaan dan hand in hand.

De oedipale oorsprong van homoseksualiteit legt Freud als volgt uit.

Hij stelde dat ieder mens bij zijn geboorte seksuele componenten meekrijgt die nog niet gericht zijn en die pas in de eerste levensjaren naar een persoon van hetzelfde of van het andere geslacht worden geleid via identificatie met vader of moeder. Bij het onvermogen van het kind rond het derde levensjaar om de normale beschadigingangsten te verwerken door zich te identificeren met de ouder van het eigen geslacht ontstaat er een abnormaal sterke maar vooral ambivalente binding met de andergeslachtelijke ouder (Ilse Cornu p 121-122).

Hoe ontwikkelt homoseksualiteit zich?

  1. De jongen (als voorbeeld) heeft vanaf de geboorte bepaalde eigenschappen die onder homo’s iets vaker voorkomen dan gemiddeld. Op de Kinsey schaal, dit is een numerieke weergave van deze eigenschappen, kan men een score van 3 tot 6 noteren (zie therapie). Sommigen kunnen genetisch, andere hormonaal bepaald zijn. Zonder deze kenmerken zou een jongen minder ‘vatbaar’ zijn om homoseksueel te worden.
  2. Al heel vroeg ervaart de jongen zich ‘anders’ dan de andere jongens, zonder precies aan te kunnen geven waardoor.
  3. De jongen ervaart een pijnlijke discrepantie tussen zijn emotionele behoeften en wat zijn vader hem kon geven. Mogelijk was zijn vader inderdaad afstandelijk of incompetent, mogelijk waren zijn behoeften uniek. In elk geval was er geen warme, intieme relatie tussen vader en zoon. Uit teleurstelling trok de jongen zich terug, om zichzelf te beschermen ‘defensieve losmaking’. Door afstand te nemen van zijn vader, zijn mannelijke rolmodel, vond hij het ook steeds moeilijker om met mannelijke leeftijdsgenoten om te gaan.
  4. Van binnen blijft een diepe hunkering naar de liefde en omhelzing van een vader bestaan. Daardoor ontwikkelen zich intense, niet-seksuele ‘bindingen’ met andere jongens, die hij bewondert. Opnieuw blijkt zijn verlangen onhaalbaar. De ontluikende seksuele verlangens vallen bij deze puber samen met zijn sterke behoefte aan mannelijke intimiteit en warmte. Hij beleeft homoseksuele verliefdheden.

Vroegtijdige psychotherapie kan de ontwikkeling van homoseksualiteit voorkomen. Het doel hierbij is enerzijds de vrouwelijke patronen in hem te veranderen en zijn mannelijke kenmerken te versterken anderzijds, en indien mogelijk, zijn vader te leren op een adequate manier met zijn zoon om te gaan (Massolari, D.2003).

De homoseksuele man in relatie met vrouwen.

Inzicht in de klassieke driehoeksverhouding is nodig om de specifieke problemen van homoseksueel georiënteerde mannen te begrijpen in relaties met vrouwen. In een driehoeksverhouding krijgt een jongen een verwrongen beeld van zichzelf doordat hij aan de kant van de moeder staat. De vader staat geïsoleerd van moeder en zoon en blijft onbereikbaar. Is de gezinsstructuur evenwichtiger, dan ziet de jongen het mannelijke perspectief bij zijn vader, die hem leert hoe met vrouwen om te gaan. Door pijnlijke situaties kan het zijn dat de jongen afstand neemt van de vader en gaat schuilen bij de moeder.

Hoewel mannen er vaak ten onrechte van beschuldigd worden ongevoelig te zijn naar hun vrouwen, is het juist deze ongevoeligheid waardoor zij een intieme relatie met vrouwen kunnen aangaan. De gezonde man verliest zich zelf niet in de noden van de vrouw. De man moet zijn eigen seksualiteit kunnen ontwikkelen en vormt zijn een eigen identiteit. Zij moet een mysterie voor hem blijven. De homoseksuele man is juist te gevoelig voor vrouwen en emotioneel overbetrokken. Dit doordat er vroeger geen vader was die deze buitensporige intimiteit met moeder kon begrenzen.

De mannelijke ontwikkeling behoort als een pendule te zijn. Het kind ‘zwaait’ eerst naar het vrouwelijke in de identificatie met zijn moeder en nadien naar het mannelijke in de identificatie met zijn vader. In de vroege adolescentie blijft hij hierop gericht tot zijn ontluikende seksuele interesse hem weer terug doet zwaaien naar het vrouwelijke. Stevig in zijn mannelijke identiteit verankerd, voelt hij zich gedreven tot een hernieuwde intimiteit met vrouwen. Als het ware ‘gewapend met mannelijkheid kan hij het risico nemen van emotionele nabijheid van een vrouw. Hij hoeft niet meer bang te zijn om door het vrouwelijke te worden overspoeld.

De prehomoseksuele jongen die zich niet zo kan wapenen tegen zijn overweldigende moeder zal zich terugtrekken in het verwrongen ‘zelf’. Dit is een creatie van moeder, die een toegeeflijke, goedgemanierde kleine jongen wil. Uit zelfbescherming verbergt hij zijn werkelijke identiteit, terwijl hij zich opoffert aan zijn moeders behoeften. De jongen voelt zich door zijn moeder ‘geconsumeerd’. Het is alsof hij moet voorzien in haar emotionele noden, die onvervuld blijven in de relatie met haar man. Zij overspoelt haar kleine jongen met haar bezitterige liefde. Hij speelt de rol van lieve, kleine jongen maar is innerlijk intens verward over zijn eigen behoeften en identiteit. Wanneer hij later een intieme relatie met een vrouw aandurft zal de tragiek van zijn vroegere relatie met zijn moeder weer gaan werken.

Een man gaat in zijn relatie met vrouwen door twee fasen, (1) de informele relatie van kennismaking en vriendschap, (2) De formele relatie van romantische en seksuele gevoelens. De eerste fase is voor een man met homoseksuele gevoelens makkelijk. Even ontspannen als hij vroeger met zijn moeder of zus omging, converseert hij nu met vrouwen. De stap naar een serieuze relatie is verraderlijk en stelt hij onbewust uit. De vrouw is zeer content met zijn vriendelijkheid, gevoeligheid en betrokkenheid. Zij heeft er geen idee van dat dit juist het probleem is! In tegenstelling tot de homoseksuele man is bij de hetero seksuele man de seksuele aantrekkingskracht vaak de eerste impuls tot een relatie. Pas later leert hij de vrouw kennen als persoon en vriend.

Door velen die inmiddels getrouwd zijn, wordt bevestigd dat er voor mannen met homoseksuele gevoelens een andere ‘route’ is: eerst vriendschap, dan affectie en uiteindelijk seksuele uiting daarvan. Vaak gaat aan de formele fase een aantal jaar vriendschap vooraf. Uiteindelijk vinden zij emotionele en seksuele bevrediging bij hun vrouw. Velen zijn niet geïnteresseerd in andere vrouwen, onbegrijpelijk voor andere mannen maar goed nieuws voor hun vrouw!

De man met homoseksuele gevoelens ervaart angst in een relatie met vrouwen. Als hij eenmaal in staat is een vertrouwelijke relatie met een vrouw te onderhouden, zal de seksuele uiting van zijn affectie als vanzelf volgen. De therapeut heeft de rol van de vader die de cliënt het mannelijke referentiekader biedt in de omgang met een vrouw. De uitdaging is om zijn gevoel van zelfbeschikking te houden wanneer hij een relatie met een vrouw aangaat. Een goede therapeut stimuleert hem eerlijk te zijn en confronteert hem wanneer hij terug dreigt te vallen in zijn verwrongen zelf, het passief-inschikkelijke type, de theatrale entertainer of de empatische counselor.

Homoseksuele ervaringen worden intenser ervaren dan heteroseksuele. De ervaringen met hun vrouw ervaren mannen met homoseksuele gevoelens als minder intens maar wel rijker en emotioneel bevredigender. Het voelt of het ‘klopt’ en er een wederzijdse aanvulling is (Nicolosi 2000).

Een lesbische vrouw…

Een citaat ‘Hoewel ik naar mijn eigen spiegelbeeld kijk, zie ik een vreemde. Volkomen vervreemd van mijzelf, allesbehalve vrouw. Daar is een hele levensgeschiedenis aan vooraf gegaan.’
Mijn ouders waren harde werkers en zorgden goed voor hun gezin. Jongensachtige activiteiten hielden mij al altijd bezig, zoals knutselen en techniek, de mecanodoos van mijn broers was lange tijd mijn favoriete speelgoed. In Nijmegen ging ik scheikunde studeren. Ik was te onvolwassen om mijn studie tot een goed eind te brengen. Ik had weinig vrienden of vriendinnen en als ze er al waren, dan was de vriendschap oppervlakkig en vaak van korte duur. Mijn problemen ging ik weg redeneren. Ik wilde niet echt over mijzelf nadenken. Ik had geleerd om niet te zeuren maar flink te zijn. Later kwam in een depressie terecht. Ik moest inzien dat ondanks alle goede bedoelingen van mijn ouders er toch dingen in mijn opvoeding fout zijn gelopen. Ik had weinig bevestiging ontvangen, ik had weinig gevoel van eigenwaarde en geen eigen identiteit ontwikkeld. Altijd weer probeerde ik door goed te doen en te presteren het respect en de goedkeuring van anderen te verwerven. Meer en meer werd me duidelijk dat ik me doodongelukkig voelde in mijn rol als vrouw. Door de lesbische gevoelens te onderkennen en erkennen ging ik hulp vragen.
Ik ontdekte dat mijn vrouw-zijn een onontgonnen gebied was. De leuze ‘We are facing a woman who plays with her identity’ sprak me aan. Aan de ene kant omdat het zo volslagen in tegenspraak was met mijn gevoelens, aan de andere kant omdat ik er naar verlangde dat het werkelijkheid zou worden. Ik begon het aangenaam te vinden vrouwen te ontmoeten, me vrouwelijk te kleden, naar vrouwenconferenties te gaan en om me met hen te kunnen identificeren. Het vrouw-zijn groeide en werd een echte vreugde…(Wildschut 2003).

Komen tot zelfaanvaarding…Hoe doe ik dat?

‘De daad van zelfaanvaarding is de wortel van alle dingen.’ (Romano Guardini) Er is een relatie tussen het zichzelf niet aanvaarden en iemands homoseksualiteit. ‘Ik heb mij altijd tot mannen aangetrokken gevoeld en mezelf steeds afgewezen en gehaat. In mijn puberteit werd mijn vergelijken tot een homoseksueel verlangen.’ De persoon met homoseksuele gevoelens voelt zich aangetrokken tot degene die hij eigenlijk wil zijn of tot degene die hij had kunnen zijn’. Hij wil helemaal opgaan in die ander in de hoop ook zelf zo te worden.

Aanvaarding en verandering van homoseksuele gevoelens gaan hand in hand. Het is niet zo dat je óf streeft naar aanvaarding van jezelf óf streeft naar verandering. Als het goed is, is hier sprake van balans. Veel christenen getuigen van diepgaande veranderingen nadat ze leerden zichzelf te aanvaarden. Ik mag worden zoals God mij bedoeld heeft (Siebesma 2004).

Psychotherapie

De bevindingen van het onderzoek van Spitzer beschreven door dokter Wagenaar, en de bevindingen van een hedendaags onderzoek gemaakt door Dina Mazzolari binnen haar studie psychologie geef ik kort weer. In de geestelijke gezondheidszorg wordt er tegenwoordig vanuit gegaan dat een homoseksuele gerichtheid onderdeel is van iemands identiteit en dat er geen reden is tot verandering. Daarom was het bijzonder dat Dina anno 2003 ruimte kreeg om onderzoek te doen naar verandering bij homoseksualiteit binnen haar opleiding Psychologie. Zij deed een onderzoek bij 200 ex-homoseksuelen. 76% van de mannen en 47% van de vrouwen waren hetero-seksueel getrouwd.

De motivatie van de respondenten om aan verandering te werken waren de volgende, zij verlangden naar een stabiele huwelijksrelatie, of zij kwamen in conflict met hun geloofsovertuiging of zij ervaarden teveel emotionele onrust door de homoseksuele gevoelens.

Het veranderingsproces na therapie bestond uit een geleidelijke vermindering van homoseksuele en een intensivering van heteroseksuele gevoelens. Op de punten die het meest van belang zijn voor de seksuele gerichtheid, te weten de seksuele aantrekkingskracht, de seksuele fantasieën, het seksuele gedrag en de zelfidentificatie, blijkt een verschuiving te kunnen optreden van 6 in het verleden op de Kinsey schaal (overheersend homoseksueel, slechts incidenteel heteroseksueel) naar 3,3 in het heden (overheersend heteroseksueel, meer dan incidenteel homoseksueel). Het duurde meestal een vijftal jaar voordat een stabiele seksuele verandering optreedt. Ongeveer 20% gaf aan ondanks hun verandering te blijven worstelen met hun homoseksuele gevoelens. Vrouwen bleken minder moeite te hoeven doen om tot een verandering te komen dan mannen. Een totale verandering komt nauwelijks voor, zeker niet bij mannen.
Er zijn ook mensen die wel hun homoseksuele gedrag leren beheersen of zichzelf niet meer benoemen als homoseksueel, maar niet veranderen in de richting van heteroseksualiteit.

Naast een verschuiving van de seksuele gerichtheid rapporteren mensen veranderingen in hun algemeen welzijn zoals minder depressieve gevoelens of zelfmoordgedachten, minder schuldgevoelens, meer zelfinzicht en emotionele evenwicht en een grotere mate van zelfacceptatie.

Een belangrijke bevinding van Spitzer is dat het veranderingsproces van deze ex-homoseksuelen veel overeenkomst vertoont met psychotherapie in het algemeen. Het is belangrijk een verband te kunnen leggen tussen de seksuele gevoelens èn ervaringen in de kindertijd of vroegere gezinsomstandigheden. Door gezonde vriendschappen aan te gaan met mensen van de eigen sekse is er minder sprake van emotionele afhankelijkheid van de eigen sekse en meer openheid voor de andere sekse.
Het bouwen aan een intense emotionele relatie met iemand van de andere sekse met daarbij de steun van een of meerdere personen, het onderbreken van gedachten en het vermijden van plaatsen die homoseksuele gevoelens kunnen aanwakkeren zijn paden die leiden tot herstel.

Pastorale zorg in combinatie met psychologische hulp gaan goed samen. Mensen die sterk gemotiveerd zijn en gebruik maken van verschillende hulpbronnen om te veranderen kunnen aanzienlijke veranderingen bereiken. Voor de meeste respondenten is het van cruciaal belang om mensen om zich heen te hebben met wie ze open en eerlijk kunnen praten en bidden (Mazzolari 2003- Wagenaar 2002).

Verhouding van de verschillende theorieën tegenover elkaar.

Als slot wil ik kijken of alle meningen recht worden aangedaan. In 2001 haalde een bericht in Nederland de kranten dat laat zien waar de anti-discriminatiewetgeving toe kan leiden, vooral voor christenen die hun levensovertuiging ook in hun werk willen laten doorklinken. Mevrouw Nynke uit Leeuwarden, ambtenaar van de burgerlijke stand, werd ontslagen voor het feit dat ze geen homo-huwelijk wilde sluiten omwille van gewetensbezwaren.

Toenmalig staatssecretaris Cohen van Justitie had na het aannemen van deze wet uitdrukkelijk aangegeven dat er ruimte moet blijven voor ambtenaren met gewetensbezwaren. Naast mevrouw Nynke waren er nog voldoende andere ambtenaren in Leeuwarden die wel bereid waren een homohuwelijk te sluiten, een praktische oplossing lag voor de hand. Ik hoop dat u ziet dat het hier niet gaat om democratie, maar het opleggen van de politieke en publieke opinie aan de gewetens van anderen, ook daar waar dat gemakkelijk vermeden kon worden (Van Dalen 1993).

De vrijheid van meningsuiting mag niet lijden onder de antidiscriminatiewet. Met respect voor de verschillende visies moet men de eigen visie kunnen uitleven. Het lijkt me fundamenteel dat christenen en moslims hun overtuiging kunnen vertolken zolang ze rekening houden met het gelijkheidsbeginsel namelijk dat homo’s en hetero’s gelijke rechten verdienen binnen de maatschappij.

Een pluriforme samenleving leeft van actieve uitwisseling.

Integratie wil zeggen dat ieder zijn identiteit integraal bewaart en tegelijkertijd openstaat voor uitwisseling met de ander in de maatschappij. Nu de wereld één netwerk is geworden, moeten we leren ons door diversiteit niet bedreigd, maar juist verrijkt te voelen. Hoe gaan we met verschillen om?

Elkaar beter leren kennen en eerlijk in gesprek gaan, is het vertrekpunt voor een zorgzame, pluriforme samenleving. Een samenleving wordt voortdurend gerealiseerd in relaties tussen mensen. Tolerantie is het smeermiddel in een pluriforme samenleving. Tolerantie betekent groepen met een andere identiteit aanvaarden en respecteren en erop vertrouwen dat die groepen ook jouw identiteit respecteren (Verhoeven en Lansu 2006).

Slot.

De antidiscriminatiewet moet toezien op het respecteren van ieders persoon en identiteit binnen een multiculturele en multireligieuze samenleving. Zowel de buitenkerkelijke als de binnenkerkelijke theorieën zijn even waardig en verdienen respect. Enerzijds zijn er gelovigen die ervoor kiezen niet in te gaan op de homoseksuele neiging en ervoor kiezen te ijveren voor een heteroseksuele relatie waar de kinderwens een zegen is. Dit wordt hun meestal ontraden door seculiere hulpverleners. Toch is er behoefte aan mogelijkheden voor hulp aan die mensen. Eerlijke informatie voor de aanvang van de hulpverlening zal de cliënten helpen realistische verwachtingen te hebben. Toch blijkt, door Gods hulp en therapie en de ondersteuning van vrienden, dat het mogelijk is de eigen seksuele gevoelens te onderwerpen aan een hoger ideaal, dat meer bepalend is voor de eigen identiteit (Mazzolari 2003).

Anderzijds bestaat het gevaar dat het onderzoek van Spitzer wordt gebruikt om op homoseksuelen druk uit te oefenen om heteroseksueel te worden (Wagenaar 2002).Ook hier moet de slinger in balans blijven en moet de homobeweging ruimte krijgen om zichzelf te zijn en voor hun eigen homo-identiteit te kiezen.

De psychosociale theorie en de biologische theorie, beiden zijn niet sluitend bewezen, maar samen passen ze in het gelijkheidsbeginsel. Hopelijk houdt de media, maar ook de holebibeweging, op met de standpunten te polariseren, gaan religieuze bewegingen het bestraffende vingertje binnenhalen zodat ieder kan kiezen en handelen volgens zijn eigen overtuiging.

Een multiculturele en multireligieuze samenleving waarbij niet enkel de seculiere maar ook de religieuze standpunten hun plaats krijgen is echt pluriform. De persoon zelf bepaalt wat de vaste kern is van zijn identiteit.

LITERATUURLIJST

BERKHOF, J. (1990) In de beginnen. Nieuwsbrief Onze Weg, nummer 1

CORNU, I. (2006) Ethiek van de partnerrelatie en seksualiteit. s.l.,s.n., 180 pp.

TAWHEED (s.a.) Hedendaagse Wetenswaardigheden in de Islam - Homoseksualiteit. Gebaseerd op Fundamentals of Tawheed by PHILIPS B. http://islamitische.blogspot.com/#109931975414319209

MASSOLARI , D.(2003) Verandering. Onderzoek of de seksuele gerichtheid bepalend is voor de identiteit. Nieuwsbrief Onze Weg. NARTH, National Association for Research and Therapy of Homosexuality juni 2002.

SATTINOVER Sattinover, J. (2002), J. (2002) How might Homosexuality Develop? Putting the pieces together.

NICOLOSI, J., (1999) De homoseksuele man in relatie met vrouwen. Amerikaanse NARTH Bulletin, augustus 1999.

SIEBESMA, R. (maart 2004) Komen tot zelfaanvaarding. Hoe doe ik dat in het licht van Christus. Nieuwsbrief Onze Weg, maart 2004.

VAN DALEN, A. (1993) Onze weg, doelstelling voor het stichten van de organisatie. Nieuwsbrief onze weg 1993.

VAN DER LAAN, H.L. (2005) De invloed van ‘buitenkerkse’ theorieën op de kerkelijke discussie over homoseksualiteit. Een historisch overzicht. Psyche en geloof, Tijdschrift van de Christelijke Vereniging voor Psychiaters, Psychologen en Psychotherapeuten, nummer 2005/4: 161-172.

VERHOEVEN, S. ; LANSU, P.(2006) Pluriforme samenleving leeft van actieve uitwisseling. Tertio 343, 3 september 2006:16-17.

WAGENAAR, P.M., (2002) Eens homoseksueel, altijd homoseksueel? Onderzoek van Spitzer bewijst het tegendeel! Nieuwsbrief Onze Weg, september 2002.

WILDSCHUT, I., (maart 2003) Wouw, Ik ben een vrouw! Nieuwsbrief Onze Weg, maart 2003.

WIKIPEDIA , Islam en homoseksualiteit. Situaties van homo’s en islam wereldwijd. http://nl.wikipedia.org/wiki/Islam_en_homoseksualiteit

WIKIPEDIA , christendom en homoseksualiteit. http://nl.wikipedia.org/wiki/Christendom_en_homoseksualiteit